Denken met woorden en denken met dingen

[For the English version of this post click here]

Van het denken wordt meestal verondersteld dat zich exclusief binnen het brein plaatsvindt. Maar er is veel voor te zeggen om ook te kijken naar denkprocessen die zich buiten de hersenen afspelen. Daarbij kunnen we allereerst kijken naar de manier waarop we de taal die ons is aangeleerd gebruiken als medium voor ons denken. Ten tweede is er de interactie tussen zintuigen en voorwerpen die door oefening en toewijding steeds verfijnder wordt, tot op het moment dat we denken met dingen. Deze blik op het denken staat ons toe op een andere manier te kijken naar breed gedeelde dogma’s over wetenschap, technologie en onderwijs.

We denken te weten wat denken is. Immers wij zijn het zelf die denken en met enige introspectie wordt duidelijk dat deze activiteit zich afspeelt binnen in het hoofd, in de hersenen. Het heet niet voor niets intro-spectie. Het denken lijkt activiteit waarbij het brein de informatiestromen verwerkt die via onze zintuigen zijn binnen gekomen.

Echter, allerlei empirisch en filosofisch onderzoek heeft aangetoond dat het denken niet zo werkt. Introspectie zet ons gemakkelijk op het verkeerde been. Zo is de relatie tussen zintuigen en brein geen eenrichtingsverkeer, wij waarnemen is wat wij denken waar te nemen. Ondanks deze inzichten handhaven vakgebieden zoals psychologie, neurologie en filosofie nog steeds het beeld dat het uiteindelijke denken toch vooral een neurologisch proces is.

Natuurlijk is het brein de plaats waar veel denkwerk gebeurt en zonder hersenen is er geen denken. Maar het dominante beeld negeert wel te gemakkelijk het gegeven dat veel van ons denken buiten ons hoofd bevinden.

Als eerste gaat het dan om de rol van taal. Als we nadenken over mogelijke toekomsten of als we de film van het verleden in ons hoofd afspelen en denken over de dingen die hadden kunnen doen, dan gebruiken we de woorden en betekenissen die we van onze omgeving hebben geleerd. Dit impliceert dat er aan ons denken maar weinig authentiek is, daar waar het denken reflecteren betreft gebruiken we een medium dat niet in ons eigen brein is ontstaan. Ons denken is dus niet zomaar subjectief, maar intersubjectief: het verwijst naar de sociale omgeving van het denkende individu en de betekenissen die binnen die omgeving worden gedeeld.

Natuurlijk denken we ook dingen die we niet kunnen zeggen. Honden en parkieten denken immers ook, maar hun blaffen en zingen leidt niet tot veel reflectie (dat vermoed ik althans). Sterker, er is veel denken dat niet in ons brein lijkt plaats te vinden, maar die neerkomt op de interactie met voorwerpen en materialen. Het is het denken van de ambachtsman (onze taal is bijzonder genderspecifiek als het om ambachtelijkheid gaat).

Kijk eens naar de volgende korte documentaire gemaakt door archeoloog Maikel Kuipers.

In deze video zie je hoe verschillende ambachtslieden zich verhouden tot hun materiaal, hout, stof, klei en je ziet hoe de handelingen van ambachtslieden bestaan uit een welhaast perfecte choreografie tussen ogen, vingers en dingen. Richard Sennett − ook in de documentaire te zien − stelt dat deze choreografie een vorm van denken is die gebruik maakt van alle zintuigen, zicht, tast, gehoor, smaak en reuk, en die draait om de directe interactie met een materiaal.

Maar waarom zou dit denken zijn? Gaat het niet gewoon om denken in overdrachtelijke zin? Nou nee. Want als je kijkt naar de manier waarop het denken zich voltrekt, dan kun je zeggen dat we voortdurend ‘kleine hypotheses’ maken en die vervolgens testen. We ontwikkelen mogelijke toekomsten en kijken of die kloppen. Dat testen verloopt via bewuste en onbewuste mentale processen of via de feedback die we van onze zintuigen krijgen. We denken eigenlijk al schetsende, we oriënteren ons op een toekomstige handeling op basis van alles wat we in het verleden geleerd hebben, en we zetten lijntjes uit waarvan we denken dat het de juiste zijn.

Het testen van hypotheses voltrekt zich via een dialoog. We gaan in gesprek met onszelf of met een ander om af te tasten welke uitspraken het meest beste zijn. In een discussie met een ander probeer je te komen tot een gezamenlijk begrip van een situatie of tot gedeelde afspraken zodat je ook in de toekomst op elkaar kunt bouwen.

Dit model van een dialoog gebruiken we ook binnen ons brein (zoals ik hier al eerder stelde). In de monologue intérieur gaan we in gesprek met onszelf door af te vragen welke toekomsten er mogelijk dan wel wenselijk zijn en hoe er lessen uit het verleden te trekken zijn. Dialogen berusten per definitie op taal, vandaar dat zoals ik hierboven beweerde de structuur van ons reflecterende denken wordt verzorgd door onze sociale omgeving.

Maar we gaan niet alleen de dialoog aan met anderen of met onszelf, we gaan ook de dialoog aan met dingen. We werpen een hypothese voor en vragen de dingen een antwoord te geven. Denk bijvoorbeeld aan fietsen: we geven een ruk aan het stuur, leren hoe de fiets reageert, waarmee de opvolgende stuurbewegingen ons steeds beter in staat stellen de fiets te controleren.

Uiteraard is de werking van het schetsende denken nergens zo duidelijk als bij het schetsen zelf: onze vingers, het potlood en het papier trekken een lijn, een soort hypothese op basis van de interactie met het materiaal, waarna je op basis van de informatie die via je ogen je hersenen bereikt beoordeelt of de lijn de juiste is.

Door je handelingen vaker uit te voeren ontstaat er vaardigheid. Je ontwikkelt eigenlijk een soort taal tussen het materiaal en jezelf, zodanig dat je het materiaal leert te begrijpen. Een ambachtsman is iemand die op effectieve wijze de dialoog aangaat met het materiaal waarmee hij werkt, hij schetst en het materiaal antwoordt. Hoe vaardiger hij wordt, hoe beter dit schetsen gaat, hoe nauwkeuriger de hypotheses zullen zijn.

Ik schreef eerder al over de manier waarop we technologie gebruiken om ons brein ‘uit te breiden’. We gebruiken agenda’s en rekenmachines omdat ons eigen brein niet zo goed geëquipeerd is om ver vooruit te plannen of moeilijke sommen te maken. Maar wat ik hier boven schreef over het schetsende denken gaat eigenlijk nog een stap verder: we gebruiken de dingen niet om alleen om ons denken uit te breiden, we denken daadwerkelijk met de dingen. De dingen vormen het medium dat ons toestaat hypotheses te stellen en te testen.

Vanuit de overweging dat we denken met taal en denken met dingen kunnen een nieuw licht werpen op de hoogtepunten van het menselijke denken, wetenschap en technologie. Maar ook kunnen we kijken wat de implicaties zijn voor het onderwijs. Wat wil het zeggen als het denken niet alleen een individuele activiteit, maar juist gaat om de taal en de dingen we als gemeenschap delen.

Daarbij zou je kunnen zeggen dat de wetenschap draait om het onmogelijke doel een taal te construeren die volledig losstaat van mensen, een taal die objectief is in plaats van intersubjectief. Kundige wetenschappers kunnen het laten lijken dat ze die taal tot in de perfectie kunnen reproduceren. Zij weten de juiste termen en betekenissen te vinden, uit te leggen en toe te passen. Zelf behoor ik niet tot deze categorie van wetenschappers. Eerst moet ik betekenissen ‘vertalen’ naar een taal die ik wel beheers ­en dan creëer ik mijn eigen kijk op dingen in de hoop deze overtuigend als wetenschappelijke inzichten te verkopen – dit hele blog is weinig anders dan een verslag van de poging hiertoe.

Maar zelfs die wetenschappers die die vertaalslag niet hoeven te maken zullen last hebben van het ‘bedriegerssyndroom’. Vooral binnen de sociale en geesteswetenschappen waarin de alledaagse en wetenschappelijke taal dezelfde is, kennen onderzoekers onbehaaglijke gevoel dat ze iets te beweren zonder echt te weten of dat wel klopt, of het wel correspondeert met de taal die alleen in theorie bestaat. Elke moment dreigt de ontmaskering, wanneer duidelijk wordt dat de wetenschapper maar doet alsof.

Deze angst voor ontmaskering is ongegrond ­– behalve voor de echte oplichters onder ons. Er bestaat immers geen taal zonder mensen, zelfs niet de taal van de wetenschap. Uiteindelijk berust de wetenschap op afspraken over wat als objectief geldt, welke taal we zien als onafhankelijk van subjectieve invloeden. Die afspraken betreffen de methodes die we hanteren om tot uitspraken over de ‘werkelijkheid’ te komen. Het gaat om de reproduceerbaarheid van de resultaten, maar ook om de plicht die je als wetenschapper hebt, zo goed mogelijk je best te doen.

Technologie betreft objecten, voorwerpen zoals kurkentrekkers en supercomputers, maar ook steeds vaker om nieuwe materialen door toepassing van nanotechnologie of genetische modificatie. Maar vooral gaat technologie om handelingswijzen, methodes om met de dingen en materialen om te gaan. Op het gevaar af de metafoor al te esoterisch door voeren, maar je kunt zeggen dat een nieuwe technologie een andere taal introduceert waarmee je de dialoog met de dingen aangaat.

Technologie wordt daarbij vaak gezien als toegepaste wetenschap. Nu is het zeker zo dat moderne technologie alleen ontwikkeld kan worden op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, maar dat betekent niet dat technologie een vorm van wetenschap is. Technologie gaat immers meestal om dingen en niet over taal.

Het is daarom eigenlijk zinvoller om juist de wetenschap te zien als toegepaste technologie. Zoals ik hierboven beschreef, wat binnen de wetenschap wordt geaccepteerd als een geldige waarheidsclaim hangt af van een stelsel aan afspraken. Die afspraken betreffen de methodes, het jargon en de paradigma’s. Voor een groot deel berusten die afspraken ook de dingen, immers om te kunnen meten heb je een meetlat nodig. Maar de rol van de dingen gaat verder. Als we bij onze waarnemingen niet vertrouwen op onze zintuigen, maar op apparaten, winnen deze waarnemingen in objectiviteit: ze lijken minder afhankelijk van menselijke interpretatie te zijn geworden. Daarbij komen we niet alleen de afspraak dat we waarnemen via instrumenten, maar natuurlijk ook tot afspraken over welke instrumenten de juiste zijn. Of het nu gaat om telescopen, thermometers, simulatiemodellen of deetjesversnellers, deze apparaten mediëren onze blik en het is geaccepteerd dat deze mediatie leidt tot de observaties waarin we geloven.

Het Flynn effect komt erop neer dat elke generatie tien IQ-punten hoger scoort dan de vorige. We worden met zijn allen dus alleen maar slimmer. Meestal wordt dit effect verklaard door betere voeding en meer gewenning met abstract denken, omdat we meer met computers zijn gaan werken. Onze hersenen worden daar beter van.

Maar zijn het echt alleen onze hersenen? Als we nou eens kijken naar het denken dat plaatsvindt buiten de hersenen, dan wordt direct duidelijk dat het vooral onze taal is die slimmer wordt en dat het onze dingen zijn die slimmer worden. Niet zozeer omdat ze onze hersenen trainen in abstract denken, maar omdat die taal en die dingen zelf meer abstracte vormen van denken belichamen.

Ons hele onderwijssysteem is er op gericht om leerlingen het maximum uit zichzelf te laten halen. Zij moeten hun individuele denken ontwikkelen en ze worden getest op hun abstracte denkvermogen. Scholen worden afgerekend op de prestaties van individuen, maar niet op de wijze waarop leerlingen leren een taal en dingen te delen.

In het verlengde hiervan ligt de medicalisering van het denken. Dit moet abstracter, geconcentreerder. Ritalin en smart drugs zijn er op gericht de hersenen beter te laten functioneren, de ontwikkeling van brain-computer interfaces (BCIs) is vooral een nieuwe stap hierbij. Hierbij lijkt ‘beter’ vooral te gaan om de wijze waarop het denkwerk van het individu past bij de eisen van een rationele samenleving.

Dat alles lijkt een gemiste kans. Het Flynn-effect zou zomaar eens een onbedoeld neveneffect van een taal en een technische omgeving die steeds slimmer worden, terwijl we ook na zouden kunnen denken over de vraag hoe we onze taal en techniek zelf slimmer kunnen maken, maar ook welke taal en welke dingen we echt willen ontwikkelen. Hoe dat precies zou moeten, zie ik overigens ook nog niet voor me. Maar het is een vraag die het me waard lijkt om over na te denken.

Een van de dingen waar dan aandacht aan geschonken zou moeten worden is of ons denken niet té abstract is geworden? Dwingen we onszelf niet te veel in een rationeel keurslijf dat te weinig recht doet aan onze mogelijkheden en ons algemene welzijn. In de documentaire van hierboven wordt gesproken over de herwaardering van ambachtelijkheid. Veel van de dingen waarmee wij denken verhinderen het schetsende denken. Onze digitale omgeving is ontworpen met het rationeel werkende brein als uitgangspunt, hierin vindt de ontwikkeling en het testen plaats in het brein zelf, niet daarbuiten. Voordat je het gesprek met de dingen aangaat, moet je al precies weten wat je wilt bereiken – iets waar ons brein eigenlijk lang niet zo goed in is.

Sennett verhaalt in zijn boek The Craftsmen hoe architecten worstelen met CAD-programma’s, waarin elke lijn een duidelijke lijn is. Dit ontneemt ze mogelijkheden die potlood en papier wel bieden. Veel minder kunnen ze kleine hypotheses ontwikkelen en testen met het materiaal waarmee ze werken, de computer vereist immers dat de architecten dat de hypotheses al getest zijn. Een echte dialoog staat het apparaat nauwelijks toe.

Tegelijkertijd is de computer ook maar een ding, net zoals een potlood of een telraam en CAD-programma’s staan weer allerlei zaken toe die onmogelijk zijn met potlood en papier. Nostalgie naar vroeger is niet zonder meer een goede raadgever, maar wel kunnen we denken aan apparaten die ons daadwerkelijk slimmer maken in een veel bredere zin dan nu gewoonlijk wordt verondersteld. Mij zou dat wel een goed ding lijken.

Verder lezen:

Apel, K.-O. (1975). The problem of philosophical fundamental-grounding in light of a transcendental pragmatic of language. Man and World, 8(3), 239-275.

Arendt, H. (1958). The human condition. Chicago and London: University of Chicago Press.

Malafouris, L. (2013). How things shape the mind: MIT Press.

Sennett, R. (2008). The craftsman: Yale University Press.

 

 

Be Sociable, Share!
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized met de tags , , , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.